Titanique de Musical. Historisch correct is er niets. Gelukkig maar.
★★★★★
Foto’s: Danny Kaan
Ergens tijdens Titanique staat de cast in een lift op hun mobiele telefoon te kijken. D-Reizen de Musical komt voorbij, net als Milkshake Festival, RuPaul’s Drag Race, tien gastendoekjes en zelfs looksmaxxing-influencer Clavicular. Wie bij een musical over de Titanic enige historische nauwkeurigheid verwacht, is hier sowieso aan het verkeerde adres. Deze voorstelling heeft weinig belangstelling voor 1912 en des te meer voor het hier en nu. Titanique neemt James Camerons film uit 1997, trekt hem volledig uit elkaar, giet het oeuvre van Céline Dion eroverheen en bouwt van de brokstukken een eigen universum. Het resultaat is ongegeneerd camp, muzikaal verrassend sterk en vooral ontzettend grappig.
Het idee ontstond bijna tien jaar geleden bij Marla Mindelle, Constantine Rousouli en Tye Blue, die in 2017 in Los Angeles een eerste concertversie maakten. Na concertuitvoeringen in New York groeide Titanique in 2022 uit tot een volledige Off-Broadwayproductie. Wat klein begon, werd door mond-tot-mondreclame een cultsucces, verhuisde naar een groter theater en vond vervolgens zijn weg naar steden als Londen, Sydney, Montréal, Toronto, Parijs en São Paulo. In 2026 bereikte de voorstelling zelfs Broadway. De grap die ooit begon met de vraag wat er zou gebeuren als Céline Dion zélf het verhaal van de Titanic kwam vertellen, bleek opmerkelijk rekbaar.
Nu is er een Nederlandse versie, en juist daar had het gemakkelijk mis kunnen gaan. De humor van Titanique bestaat namelijk niet alleen uit woordgrappen of parodieën op de film. De voorstelling drijft op een gedeeld cultureel geheugen. Musical, film, queer cultuur, internetmemes, showbizz en actualiteit worden zonder onderscheid door elkaar gegooid. Een letterlijke vertaling van de Amerikaanse tekst zou daarom waarschijnlijk binnen een paar minuten zijn vastgelopen.
Jeremy Baker kiest in zijn Nederlandse vertaling voor iets veel verstandigers: hij vertaalt niet alleen de tekst, maar ook het referentiekader. Daardoor kan hier ineens D-Reizen de Musical voorbijkomen, wordt er verwezen naar Milkshake Festival en RuPaul’s Drag Race en zit er zelfs een grap over Clavicular en looksmaxxing tussen. Andere grappen putten juist uit het leven en de carrières van de acteurs uit Camerons Titanic. Sommige verwijzingen zijn breed herkenbaar, voor andere moet je musicalnerd, queer of behoorlijk chronically online zijn. Dat verschil is juist prettig. Niet iedere grap wordt uitgelegd en niet iedereen hoeft voortdurend alles te begrijpen.
Belangrijker is dat de Nederlandse toevoegingen nauwelijks als toevoegingen voelen. Ze zijn onderdeel geworden van de dramaturgie van een voorstelling waarin tijd sowieso niet bestaat. Dat Jack en Rose in een lift naar een mobiele telefoon staan te kijken, is geen anachronisme dat opgelost moet worden, maar een logisch gevolg van de spelregels die Titanique zelf heeft opgesteld. Alles kan materiaal worden. 1912 en 2026 bestaan naast elkaar en hoge en lage cultuur worden zonder hiërarchie door de blender gehaald.
Dat levert een ongekend hoge grapdichtheid op. Er gaat nauwelijks een minuut voorbij zonder een tekstgrap, fysieke vondst, blik of bewust uitgerekte stilte. Bovendien wordt voortdurend gespeeld met de grens tussen vastgelegde mise-en-scène en improvisatie. Acteurs reageren op elkaar en op de zaal, de vierde wand wordt met regelmaat gesloopt en vermeende fouten worden zo overtuigend uitgespeeld dat je soms werkelijk niet meer weet of er iets misgaat of dat het iedere avond precies zo gebeurt.
Dat is technisch lastiger dan het eruitziet. Comedy van dit tempo vraagt niet alleen om goede timing, maar vooral om ritme en samenspel. Als iedere speler voortdurend zijn eigen grap probeert binnen te halen, wordt zo'n voorstelling binnen een half uur onverteerbaar. Regisseur Martin Michel laat de chaos daarom gecontroleerd verlopen. De voorstelling versnelt en vertraagt, spelers nemen een scène over en geven hem weer door, en onder de schijnbare anarchie ligt een vrij precieze komische choreografie. De cast moet voldoende vrijheid uitstralen om spontaniteit te suggereren, terwijl de timing juist messcherp moet blijven.
Renée van Wegberg begrijpt die balans goed als Céline Dion. Ze heeft de kenmerkende maniertjes, mimiek en grootse gebaren van Dion goed geobserveerd, zonder te vervallen in een platte imitatie. Belangrijker is dat ze als verteller aanwezig genoeg is om het raamwerk van de voorstelling bij elkaar te houden, maar niet zo dominant wordt dat Titanique verandert in een Céline-show met een paar bijrollen eromheen. Die angst had ik vooraf wel. Van Wegberg is een grote naam en Dion is het personage dat letterlijk het verhaal kaapt, maar ze doseert haar aanwezigheid uitstekend en geeft het ensemble alle ruimte om de voorstelling gezamenlijk te dragen.
Daarbinnen zijn Calvin Kromheer en Dana van der Geer als Jack en Rose meer dan aangevers voor de volgende grap. Kromheer vindt een fijne middenweg tussen romantische leading man en goedbedoelende sukkel, terwijl Van der Geer vooral met haar fysieke spel veel humor uit Rose haalt. Ze speelt groot, maar blijft precies. Beiden zijn bovendien vocaal sterk. Dat laatste geldt eigenlijk voor de hele cast: onder alle meligheid zit een opmerkelijk hoog muzikaal niveau.
Dat is essentieel, want Titanique werkt alleen wanneer de muziek niet óók een grap wordt. De voorstelling kan Céline Dion genadeloos uitvergroten, juist omdat haar repertoire serieus wordt genomen. De arrangementen geven de stemmen ruimte en nummers als Tell Him, I Drove All Night, All By Myself en onvermijdelijk My Heart Will Go On worden niet ironisch weggewuifd. De cast moet ze daadwerkelijk kunnen zingen, en dat kan deze cast. Vooral Mark Roy Luykx als Cal Hockley maakt vocaal indruk met een krachtige stem die moeiteloos boven het komische geweld uitstijgt.
De grootste komische troef is voor mij Robbert van den Bergh als Ruth Dewitt Bukater. Op een gegeven moment hoeft hij alleen nog maar op te komen en begint de zaal al te gniffelen, omdat zijn eerdere scènes een verwachting hebben opgebouwd: hier gaat iets gebeuren. Van den Bergh begrijpt uitstekend hoe je zo'n verwachting kunt uitstellen. Hij rekt stiltes, zoekt het publiek op, speelt met gezichten en intonatie en breekt de vierde wand zonder dat het een losstaand cabaretmoment wordt. Zijn Ruth probeert Rose natuurlijk aan een rijke man te koppelen om de maatschappelijke positie van de familie veilig te stellen, maar in Van den Berghs handen lijkt ze vooral geïnteresseerd in haar eigen overleving. Hij trekt scènes naar zich toe, maar weet ze ook weer los te laten voordat het trucmatig wordt.
Cathalijne de Sonnaville als Molly Brown en Rolf Koster als Victor Garber en Luigi bewegen even gemakkelijk mee tussen parodie en musicalspel. Ook de achtergrondzangers Liesanne van Dongen, Kim Reizevoort en Thijs Kokke worden niet als anoniem vocaal behang behandeld, maar maken onderdeel uit van de theatrale wereld. Naidjim Severina krijgt misschien wel de rol die het beste samenvat wat Titanique met Titanic doet. Eerst is hij een heerlijk komische Ketelbinkie – of beter: ketel-twink-ie – om vervolgens terug te keren als de ijsberg, hier uiteraard getransformeerd tot een fierce dragqueen. Tegen de tijd dat die drag-ijsberg verschijnt, voelt dat binnen de logica van de avond niet eens meer vreemd.
Daarmee raakt Titanique aan iets wat bij goede camp nogal eens wordt vergeten. Camp werkt het beste wanneer de makers tegelijkertijd afstand én liefde voelen voor hun onderwerp. Alleen Titanic belachelijk maken is niet zo moeilijk; de film heeft na bijna dertig jaar genoeg iconische scènes, poses en dialogen verzameld om een avond parodie mee te vullen. Interessanter is dat Titanique het bronmateriaal niet cynisch behandelt. De makers houden zichtbaar van de film, van musicals, van Céline Dion en van de overdaad die ze tegelijkertijd bespotten.
Daardoor kan de vorm zo ver worden opgerekt. Het decor hoeft geen overtuigende reconstructie van een oceaanstomer te zijn en de kostuums hoeven geen historisch correcte illusie te creëren. De voorstelling gebruikt juist de zichtbaarheid van theater: een speler kan het ene moment een personage zijn en het volgende moment een theatrale constructie blootleggen. De beperkte middelen worden onderdeel van de grap. Wat in een traditionele musical een tekortkoming zou kunnen zijn, wordt hier een stijlmiddel.
De keerzijde van zo'n hoge grapdichtheid is dat er weinig ruimte overblijft voor rust. De voorstelling kent nauwelijks momenten waarop het publiek even niet hoeft te reageren. Dat kan vermoeiend worden en sommige grappen zijn onvermijdelijk sterker dan andere. Toch wordt de overdaad voor mij nergens het probleem van de voorstelling, omdat die overdaad precies is waar Titanique over gaat. Minder grappen, minder camp of meer subtiliteit zouden de avond niet noodzakelijk beter maken; ze zouden de gekozen theatertaal ondermijnen.
Wie onder al die chaos nog een diepgravende nieuwe lezing van Titanic zoekt, komt bedrogen uit. Titanique heeft weinig behoefte om klassenverschillen, liefde, verlies of sterfelijkheid opnieuw te onderzoeken. Het is geen deconstructie die wil aantonen wat er problematisch of achterhaald is aan Camerons film. Het gebruikt die film als collectief geheugen: we kennen Jack, Rose, de deur, de ketelruimte en die verdomde ijsberg toch al. Daardoor kan de voorstelling meteen beginnen met slopen.
Daarin zit het plezier. Titanique is een uiterst zorgvuldig gemaakte voorstelling die doet alsof niemand zich ergens iets van aantrekt. De acteurs spelen alsof iedere avond kan ontsporen, terwijl daaronder een precieze timing, sterke muzikale uitvoering en een slimme Nederlandse bewerking liggen. Het is camp die zijn bronmateriaal liefheeft, een parodie die muzikaal opvallend serieus wordt genomen en een vertaling die begrijpt dat humor alleen werkt wanneer je hem opnieuw durft uit te vinden.
Historisch correct is er werkelijk niets aan. Theatraal klopt het verrassend goed.
En ik heb zelden zo onafgebroken gelachen in een musical.