De mooiste kunst in Cats de musical is geen schilderij

★★★½

Beeld: Danny Kaan

De eerste beelden van Cats – Het Meesterwerk stemden me niet bepaald hoopvol. Waar waren de katten gebleven? De herkenbare snuitjes, de oren, de staarten en de soepele lichamen die zich over een vuilnisbelt bewegen? In plaats daarvan zag ik uitbundige kostuums, grafische patronen en make-up die soms meer aan een kunstwerk deden denken dan aan een dier. Het zag er prachtig uit, maar was dit nog wel Cats? Met die twijfel stapte ik Koninklijk Theater Carré binnen, al nam ik me tegelijkertijd voor om de voorstelling niet af te rekenen op mijn herinneringen aan eerdere uitvoeringen. Wie een klassieker opnieuw vormgeeft, verdient op zijn minst de kans om te laten zien waarom.

Een paar nummers later viel het kwartje. Dit zijn geen katten die toevallig door een museum lopen, maar kunstwerken die 's nachts tot leven komen. En zodra je die beeldtaal begrijpt, blijkt de nieuwe vormgeving een stuk interessanter dan de eerste foto's deden vermoeden.

Als de schilderijen tot leven komen

Scenograaf Marjolein Ettema heeft de Eregalerij van het Rijksmuseum naar het toneel vertaald. Achteraan domineert De Nachtwacht het decor, terwijl in de nissen aan weerszijden bekende schilderijen opduiken. Het Melkmeisje, De bedreigde zwaan: je herkent de museumzaal vrijwel onmiddellijk. De nissen kunnen bovendien draaien en opengaan, waardoor de ruimte zich af en toe onverwacht ontvouwt. Het is een aantrekkelijke gedachte dat de personages op schilderijen, zodra de laatste bezoeker vertrokken is, hun lijsten verlaten en een eigen leven leiden.

Sommige vertalingen van kat naar kunstwerk zijn bijzonder raak. Neem McSluwerik, de mysterieuze kat die overal van wordt verdacht, maar nooit wordt aangetroffen op de plaats van het misdrijf. Zijn verwijzing naar Banksy, de anonieme kunstenaar die zich voortdurend aan het zicht weet te onttrekken, is meer dan een aardige vondst. Hier versterken kunstgeschiedenis en personage elkaar. Ook het ondeugende duo Allegaartje en Malle Fietje, geïnspireerd op de surrealistische beeldwereld van Salvador Dalí, krijgt daardoor een eigenzinnig karakter. Bij andere keuzes blijft het verband oppervlakkiger. Tjoeke Tjoek verschijnt in de primaire kleuren en geometrische vlakken van Mondriaan. Dat levert een fraaie trein op en de lijnen vormen het spoor, maar de verbinding tussen het kunstwerk en de spoorwegkat is nauwelijks inhoudelijk. Juist hier had een verwijzing naar Pierre Cuypers, de architect van zowel het Rijksmuseum als Amsterdam Centraal, een interessante brug kunnen slaan.

Overigens komen niet alle kunstwerken waarnaar de productie verwijst uit de collectie van het Rijksmuseum. Van Goghs bloeiende amandeltakken zijn bijvoorbeeld te vinden in het Van Gogh Museum. Dat hoeft een theatervoorstelling niet in de weg te staan, maar het is wel een onderscheid dat het publiek hopelijk meekrijgt. Dat kunst op deze manier een nieuw podium krijgt, juich ik toe. Of het museumconcept Cats voor nieuw publiek begrijpelijker maakt, durf ik niet te zeggen. Misschien zorgen de herkenbare beelden voor houvast, misschien juist voor extra verwarring. Wat ik wel kan zeggen, is dat deze voorstelling visueel bijzonder aangenaam is om naar te kijken.

Een musical die geen verhaal nodig heeft

Om te begrijpen waarom Cats zo'n bijzondere musical is, moeten we terug naar 1939. In dat jaar verscheen Old Possum's Book of Practical Cats, een verzameling speelse kattengedichten van de Britse dichter T.S. Eliot. Hij beschreef katten met uitgesproken persoonlijkheden, eigenaardigheden en soms ronduit menselijke trekjes. Decennia later zette Andrew Lloyd Webber deze gedichten op muziek. In 1981 ging Cats in Londen in première, met regie van Trevor Nunn en choreografie van Gillian Lynne. Het werd een wereldwijd theaterfenomeen, maar ook een musical die zich weinig aantrekt van de gebruikelijke dramaturgische regels.

Tijdens het jaarlijkse Jellicle Ball komen de katten samen en kiest hun leider, Old Deuteronomy, in deze Nederlandse versie Wijze Metusalem, één kat die een nieuw leven mag beginnen. Veel meer verhaal is er eigenlijk niet. In plaats daarvan maken we kennis met de verschillende katten, die zichzelf voornamelijk door middel van zang en dans voorstellen. Wie verwacht dat er na iedere scène iets nieuws gebeurt om een verhaal vooruit te helpen, kan daardoor behoorlijk verdwalen. Ik sprak na afloop bezoekers die zich precies dat hadden afgevraagd: wanneer gaat er nu eigenlijk iets gebeuren? Maar wie begrijpt dat die opeenvolging van muzikale portretten de voorstelling ís, ontdekt waarom Cats al 45 jaar publiek weet te betoveren. De musical vraagt niet zozeer om het volgen van een plot, maar om het bewonderen van uitzonderlijk theatermanschap.

Want laten we eerlijk zijn: als traditioneel verhaal slaat Cats eigenlijk nergens op. Toch behoort de voorstelling voor mij tot de grote musicals, juist omdat de artiesten zich nergens achter kunnen verschuilen. Ze moeten uitzonderlijk goed kunnen zingen, dansen én acteren. Van gestrekte benen en hoge sprongen tot pirouettes, fouettés en natuurlijk de toepasselijk genaamde pas de chat. Hier is virtuositeit geen versiering van het verhaal, maar het fundament waarop de hele voorstelling rust.

Dat maakt de vormgeving van deze nieuwe productie zo interessant, maar soms ook problematisch. De oorspronkelijke vuilnisbelt van Cats is een speeltuin voor dansers. Katten verdwijnen achter bergen afval, kruipen uit buizen en springen onverwacht tevoorschijn. De Eregalerij is van nature een veel statischer omgeving. Hoewel de draaiende nissen voor verrassingen zorgen, ontbreekt soms de ruimtelijke dynamiek die de oorspronkelijke vormgeving zo geschikt maakt voor deze musical. Hetzelfde geldt voor de kostuums. Die zijn vaak schitterend, maar de wijde broeken, volumineuze jurken en decoratieve elementen verbergen geregeld de lichamen van de dansers. En juist die lichamen wil je bij Cats kunnen bewonderen.

Gelukkig begrijpt choreograaf Klevis Elmazaj uitstekend wat deze musical nodig heeft. Zijn choreografie voelt fris zonder de klassieke danstaal van Cats overboord te gooien. Vooral tijdens de Jellicle Ball, waarin het ensemble zich volledig aan de dans overgeeft, wordt zichtbaar waartoe deze cast in staat is. Het is een aaneenschakeling van techniek, muzikaliteit en energie, al verlangde ik er juist op zulke momenten naar om de dansers iets beter te kunnen zien. Ook het uitbundige nummer van Vera Vlekkeloos, gespeeld door Melise de Winter, is een feest. Haar tapdans brengt een heerlijk gevoel van ouderwets showtheater met zich mee, terwijl het speelse samenspel van Allegaartje en Malle Fietje behoort tot de momenten waarop de voorstelling moeiteloos bruist.

Een kat blijft een kat

Waar de kostuums soms verhullen dat we naar katten kijken, weten de spelers die illusie met hun lichaamstaal voortdurend overeind te houden. Ook buiten de grote muzikale nummers blijven ze in hun rol: ze geven elkaar kopjes, reageren nieuwsgierig op hun omgeving en verdwijnen met sierlijke balletsprongen in de coulissen. Die aandacht voor het kleinste detail maakt de wereld geloofwaardig en laat tegelijkertijd zien hoeveel er van deze cast wordt gevraagd.

Martijn Vogel is daar een mooi voorbeeld van. Hij speelt zowel de uitbundige Barend-Jan Bol als Coulissius Bredero, de oude theaterkat die terugblikt op zijn gloriedagen, en weet beide personages een volstrekt eigen karakter te geven. Vooral in Het podiumbeest krijgt Vogel de ruimte om met zijn spel en zang te overtuigen. Het is een van de voorbeelden van hoe deze voorstelling, ondanks alle visuele veranderingen, nog altijd steunt op de veelzijdigheid van haar uitvoerenden.

Dat geldt misschien nog wel het sterkst voor Nurlaila Karim, die als Grizabella verantwoordelijk is voor het indrukwekkendste moment van de avond. In een voorstelling waarin zoveel gebeurt, is het opvallend dat dit moment juist ontstaat wanneer bijna alles verdwijnt. Geen uitbundige choreografie, geen bewegende schilderijen en geen ingewikkelde toneeltrucs, maar Karim, vrijwel alleen in een lichtbundel, die Weemoed zingt. Haar stem is helder, technisch indrukwekkend en bovenal ontroerend. In Carré wordt het muisstil. Je voelt hoe de zaal naar haar luistert.

Grizabella is de kat die ooit bewonderd werd, maar inmiddels door de anderen wordt buitengesloten. Ze is oud, afgedankt en zoekt wanhopig naar een beetje erkenning. Haar lied is niet alleen een terugblik op betere tijden, maar ook een verlangen om opnieuw gezien te worden. Daar raakt Cats aan iets wezenlijks. Onder al die eigenaardige kattenportretten schuilt een verhaal over ouder worden, buitensluiting en de behoefte ergens bij te horen. Het is de emotionele kern van de musical, en juist daarom is het zo jammer dat de voorstelling de ontknoping vervolgens haastig afhandelt.

De aanraking die ontbreekt

In de oorspronkelijke enscenering zit een klein, maar essentieel moment. Nadat Grizabella haar lied heeft gezongen, is het de jongste kat die als eerste toenadering zoekt. Voorzichtig raakt ze Grizabella aan, waarna ook de anderen haar durven te accepteren. Het is een eenvoudig gebaar, maar het vertelt eigenlijk het hele verhaal. Een gemeenschap die iemand heeft verstoten, vindt de moed om haar opnieuw te omarmen.

In deze uitvoering ontbreekt die zorgvuldig opgebouwde omslag. Wijze Metusalem kiest Grizabella, haar jas wordt uitgetrokken en ze maakt zich op voor haar laatste tocht, langs het Amstel Hotel. Pas daarna verschijnen de andere katten om haar bloemen te geven. Het gaat allemaal zo snel dat de emotie die Karim met haar zang heeft opgebouwd nauwelijks de kans krijgt om tot een ontlading te komen. Waar is de spanning van de keuze? Waar is het moment waarop de andere katten beseffen dat ze haar al die tijd onterecht hebben afgewezen? Waar is die ene aanraking die alles verandert?

Het zijn geen onbelangrijke vragen, want hoe weinig traditioneel verhaal Cats ook heeft, juist deze ontwikkeling vormt de emotionele ruggengraat van de musical. De regie van Paul van Ewijk had daar veel meer ruimte voor mogen nemen. Een voorstelling die zo uitbundig is in haar beeldtaal, hoeft niet terughoudend te zijn wanneer het op haar belangrijkste emotionele moment aankomt. Sterker nog, juist na de ingetogen kracht van Karims Weemoed zou een zorgvuldig opgebouwde verzoening des te indrukwekkender kunnen zijn.

Een nieuwe jas voor een oude klassieker

Cats – Het Meesterwerk heeft me uiteindelijk veel meer plezier bezorgd dan ik vooraf had verwacht. De muziek van Andrew Lloyd Webber blijft prachtig, de Nederlandse vertaling van Florus van Rooijen loopt soepel en de cast levert indrukwekkend werk. Het Rijksmuseumconcept is met aandacht uitgewerkt en de vormgeving is vaak schitterend. Deze productie bewijst dat een klassieker niet voor eeuwig dezelfde buitenkant hoeft te houden, en dat een radicale verandering van beeldtaal ook nieuwe mogelijkheden kan openen.

Maar ze laat tegelijkertijd zien dat vernieuwing meer is dan een ander decor en nieuwe kostuums. Soms verdwijnt er onderweg iets wat je pas mist wanneer het er niet meer is: de zichtbaarheid van een dansend lichaam, de vrijheid van een speelruimte of de betekenis van een voorzichtige aanraking. Dat zijn geen details die je eenvoudig kunt wegstrepen tegen de schoonheid van het geheel, omdat ze raken aan wat Cats al die jaren bijzonder heeft gemaakt. En is dat dan de ironie van deze Cats? Een voorstelling vol levende kunstwerken, die op het beslissende moment vergeet hoe ontroerend een heel klein menselijk gebaar kan zijn.

Gezien tijdens de première op 19 oktober 2026 in Koninklijk Theater Carré, Amsterdam.



Volgende
Volgende

Cabaret de musical: blijven dansen tot het licht uitgaat